Een schouderklopje van de rechter

Over goede vs. slechte(re) rechtsbijstandverleners en een fijn vonnis.

Een schouderklopje van de rechter

Blog van AVN

18 juni 2020

In een procedure hebben wij uiteraard de wederpartij niet voor het kiezen. Dat geldt voor de wederpartij zelf (bij ons vaak de werknemer of de werkgever) én dat geldt voor de rechtsbijstandverlener van die wederpartij.  Het klinkt misschien vreemd, maar ik heb het liefst een goede advocaat (of andere rechtsbijstandverlener) tegenover me. Ik vind namelijk weinig dingen zo moeilijk als goed reageren op slechte processtukken.

Goede vs. slechte rechtsbijstandverlener

Stel, een werknemer start een loonvorderingsprocedure tegen zijn werkgever omdat hij van mening is dat hij te weinig uurloon heeft ontvangen. In de dagvaarding schrijft de rechtsbijstandverlener: “hij had een uurloon van € 14,56 bruto per uur moeten verdienen op basis van de cao”. Daarbij kun je je direct al een heel aantal vragen stellen, bijvoorbeeld:

  • Op basis van welke cao?
  • Is die cao inderdaad van toepassing op de arbeidsovereenkomst en zo ja op basis waarvan?
  • Waarom zou hij recht hebben op die € 14,56? Op welk artikel c.q. loontabel uit de cao wordt dit gebaseerd? In welke functiegroep trede zou hij dan zitten en waarom?

Een goede rechtsbijstandverlener beantwoordt en onderbouwt in de dagvaarding deze vragen. Bijvoorbeeld: “Dit blijkt uit artikel 14 in combinatie met bijlage X uit de Bakkers-cao 2019-2021 (welke cao van toepassing is op de arbeidsovereenkomst door middel van het incorporatiebeding uit de arbeidsovereenkomst, zie productie 1, de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst). Aangezien de werknemer de functie van Banketbakker vervulde en deze functie al drie jaren vervulde, zit hij in functiegroep 4, trede 3 (zie productie 2, artikel 6 lid 3 en lid 4). In dat geval kun je als wederpartij inhoudelijk op die stellingen reageren.

Het gebeurt echter stiekem best vaak dat je een slechte(re) rechtsbijstandverlener tegenover je hebt, die na de zin “hij had een uurloon van € 14,56 bruto per uur moeten verdienen op basis van de cao” niet of nauwelijks toelichting of onderbouwing geeft van deze stelling. Het lijkt er dan op dat de rechtsbijstandverlener verwacht dat onze cliënt en uiteindelijk dus ook de rechter zelf maar invult wat er precies met de stellingen bedoeld wordt.

De eerste neiging is dan om in onze reactie aan te geven dat de wederpartij de standpunten niet concreet uiteenzet en deze niet voldoende heeft onderbouwd (met “bewijzen”). Dat is echter best wel spannend om te doen. Het gebeurt namelijk in de praktijk best geregeld dat een rechter de “slechte(re)” rechtsbijstandverlener helpt door inderdaad te gaan invullen wat hij of zij waarschijnlijk bedoeld zal hebben in de dagvaarding. Dat is voor goede advocaten (verder zijn wij uiteraard heel bescheiden) best wel frustrerend; het lijkt er dan op dat slecht werk beloond wordt.

Slecht werk niet beloond maar afgestraft!

Maar toen kwam er een vonnis waardoor we na ruim een week nog steeds met een glimlach rondlopen! Een vonnis in een zaak die al enkele jaren liep, een zaak die ons veel bloed, zweet en tranen heeft gekost, vooral omdat de wederpartij “met hagel schoot” op onze cliënt in de hoop ook maar iets te raken, met talloze niet onderbouwde valse beschuldigingen en drogredenen. Het heeft ons heel wat inspanningen gekost om daar vooral niet in mee te gaan, maar zo concreet en beschaafd mogelijk te reageren.

En dat heeft in dit geval vruchten afgeworpen! Het vonnis houdt in dat alle (loon)vorderingen van de eiser worden afgewezen en dat eiser in de proceskosten wordt veroordeeld. Dat is uiteraard het gewenste resultaat waar we al die tijd voor gestreden hebben, maar wat stiekem ook wel heel fijn is, is dat de rechter in het vonnis de wederpartij “de oren wast” ook ten aanzien van de wijze van procederen. De rechter geeft bijvoorbeeld aan dat het van de eiser verwacht had mogen worden op welk feit (bijvoorbeeld pagina of citaat) uit de overgelegde stukken hij concreet een beroep doet en dat het slechts in het geding brengen van stukken zonder daar concreet naar te verwijzen niet volstaat. Een ander voorbeeld is dat de rechter aangeeft dat het niet duidelijk is geworden tot welk juridisch gevolg een bepaalde stelling diende te leiden – althans de eiser verbindt aan de stelling geen duidelijke conclusie -, waardoor de rechter deze ook niet kan beoordelen (en dat gebeurt dus ook niet).

Een schouderklopje van de rechter

Wat ook nog leuk is, is dat de rechter onze wijze van procederen lijkt te waarderen. In het vonnis is te lezen dat: “gelet op het goed onderbouwde en geconcretiseerde verweer het op de weg van de eiser had gelegen om zijn stelling met nadere feiten en omstandigheden te onderbouwen”.

Hoewel wij het als advocaten echt wel gewend zijn om een procedure te winnen (of soms helaas te verliezen), en het uiteindelijk uiteraard om het positieve resultaat voor de cliënt gaat, is het ook voor ons weleens fijn om een (klein) schouderklopje van de rechter te ontvangen!

Blog van AVN

18 juni 2020

© 2020 Advocaten van Nu