Kantonrechtersformule revisited!


12 februari 2016

Bij terugkomst op kantoor, na een heerlijke carnaval, lezen wij een uitspraak van de Kantonrechter Amsterdam van 29 januari. Lezen we het goed? Is de kantonrechtersformule weer terug?

In de Amsterdamse kwestie verzoekt werkgever, in eerste instantie, aan het UWV om een ontslagvergunning voor werknemer te verlenen op grond van bedrijfseconomische redenen. Werkgever stelt werknemer reeds gedurende de UWV-procedure op non-actief. Werknemer is het hier niet mee eens en eist in kort geding toelating tot zijn werkzaamheden. De kantonrechter stelt werknemer in het gelijk, waarna werknemer weer aan de slag gaat. De terugkeer gaat echter niet van een leien dakje en werknemer meldt zich een maand later ziek. Vervolgens weigert het UWV de vergunning nu het UWV niet overtuigd is van de gestelde bedrijfseconomische redenen. Inmiddels heeft de bedrijfsarts geconstateerd dat er sprake is van een arbeidsconflict en bemiddeling voorgesteld. Deze bemiddeling leidt helaas niet tot enig resultaat en werkgever verzoekt de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De grond voor de gevraagde ontbinding is ‘een verstoorde verhouding’ (voor de arbeidsrechtjuristen onder ons: de g-grond).

De kantonrechter oordeelt, kort samengevat, dat er geen reden is om de arbeidsovereenkomst op de g-grond te ontbinden nu enkel de werkgever een verstoorde relatie ervaart. Toch ontbindt de rechter de arbeidsovereenkomst, en wel op de h-grond (de zogenoemde ‘restcategorie’). Naar het oordeel van de rechter kan er geen sprake meer zijn van een vruchtbare samenwerking.

Werknemer vordert, naast de transitievergoeding, een billijke vergoeding. Is daar in deze kwestie plaats voor en, zo ja, wat is dan de hoogte van de billijke vergoeding?

De kantonrechter maakt korte metten met de door de wetgever geïntroduceerde maatstaf voor het toekennen van een billijke vergoeding, te weten “ernstig verwijtbaar handelen”. Naar het oordeel van de rechter is deze maatstaf niet bruikbaar nu, en ik citeer, “De ernst van het gemaakte verwijt is alleen een bruikbare maatstaf als het erom gaat te bepalen welk deel van de ontstane schade als gevolg van verwijtbaar handelen de veroorzaker moet betalen. De omvang van de schade is niet vast te stellen op basis van de mate van de ernst van het verwijtbaar handelen van de werkgever”. Naar het oordeel van de kantonrechter is de basis van de billijke vergoeding erin gelegen dat een werkgever die ernstig verwijt handelt ten gevolge waarvan de dienstbetrekking eindigt meer verantwoordelijkheid behoudt voor de inkomenssituatie van werknemer na einde dienstverband, dan tot uitdrukking komt in de (wettelijke) transitievergoeding.

De kantonrechter oordeelt vervolgens dat in het geval een billijke vergoeding aan de orde is de alom bekende (en inmiddels verdwenen) kantonrechtersformule een bruikbare maatstaf is. In deze formule komen, aldus de rechter, de relevante feiten, de leeftijd van werknemer en de lengte van het dienstverband tot uitdrukking. Aan werknemer in kwestie wordt door de rechter dan ook een vergoeding op basis van deze formule toegekend, waarbij de rechter bepaalt dat in deze billijke vergoeding de transitievergoeding is inbegrepen.

Ik volg de redenering van de kantonrechter niet helemaal of misschien wel helemaal niet. In de eerste plaats oordeelt de kantonrechter dat de werkgever die ernstig verwijtbaar handelt meer verantwoordelijkheid draagt voor de inkomenssituatie van de werknemer. Een vergoeding dient volgens de rechter rekening te houden met het te missen inkomen. Dit lijkt meer op een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag, te weten een schadevergoeding. De kantonrechterformule gaat nu juist niet uit van de daadwerkelijke schade. Bovendien heeft de wetgever de leeftijd van werknemer en de lengte van het dienstverband al meegenomen in de transitievergoeding. Het oordeel van de rechter dat de lengte van het dienstverband en de leeftijd van werknemer in acht genomen moeten worden en dat daarom de kantonrechtersformule een juiste maatstaf is gaat mijns inziens dan ook niet op. En hoe zit het dan met de C-factor? Het is in deze kwestie niet duidelijk of de rechter een hogere C-factor heeft toegekend. Het lijkt van niet, nu daar niets over wordt gesteld.

Alhoewel de vraag naar de hoogte van de billijke vergoeding al sinds haar introductie op 1 juli vorig jaar moeilijk te beantwoorden is, zijn we nu wel echt even van het padje af. Hebben we een nieuwe formule te pakken, te weten: de billijke vergoeding = A x B x C – TV?

Als het aan de betreffende kantonrechter Amsterdam ligt wel. We zullen zien of hoger beroep wordt ingesteld. Wij volgen het op de voet.

Advocaten van Nu.