HOT NEWS! SZW komt terug op standpunt dat werkgever en verhuurder niet dezelfde partij mogen zijn


16 februari 2017

Afbeeldingsresultaat voor asscher foto dom

 

In onze eerdere blog "HOT NEWS! Uitzondering inhoudingsverbod volgens SZW niet toegestaan als werkgever en verhuurder dezelfde partij zijn" (klik hier voor blog) stonden wij stil bij het inhoudings- en verrekeningsverbod uit de Wet Aanpak Schijnconstructies en de uitzonderingen hierop.

In het blog hebben wij beschreven dat de Inspectie SZW kennelijk van mening was dat indien de uitzendonderneming tevens optreedt als verhuurder, er geen sprake kan zijn van een inhouding ex artikel 7:631 BW en dat derhalve geen gebruik gemaakt kon worden van de uitzondering op het inhoudingsverbod. Indien in een dergelijk geval een bedrag wordt "ingehouden/verrekend" met het loon terzake de huisvesting, zou dit Inspectie SZW dit kwalificeren als een onderbetaling in het kader van de WML met alle gevolgen van dien.

Zoals reeds aangegeven in onze eerdere blog waren er absoluut argumenten te verzinnen waarom er toch sprake is van een inhouding indien uitzendonderneming tevens optreedt als verhuurder. Deze argumenten zijn enige tijd geleden voorgelegd aan de Inspectie SZW en inmiddels heb ik hierop een reactie ontvangen. Hieronder een copy paste van het antwoord van de Inspectie SZW (Directie Arbeidsverhoudingen):

 

Beste David,

Eerder hebben we aangegeven dat bij een inhouding sprake moet zijn van een derde. De reden hiervoor lag bij de lezing van artikel 7:631 BW, omdat daarin wordt gesproken van “… betalingen in zijn naam te verrichten.”. Van een betaling aan jezelf is doorgaans geen sprake, omdat er dan sprake is van een verrekening. Inhoudingen en verrekeningen zijn in het BW twee aparte begrippen. Daardoor was onze uitleg van dit artikel dat er bij een inhouding sprake moet zijn van een betaling aan een derde.

Naar aanleiding van vragen en opmerkingen hierover zijn we dit verder gaan bestuderen, met name de MvT van de Vaststelling van titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II 1993-1994, 23 438, nr. 3). Daarin staat op p. 27 met betrekking tot inhoudingen dat er sprake kan zijn van betalingen aan de werkgever (zelf). Omdat met het verbod op inhoudingen op het minimumloon (en de uitzonderingen daarop) beoogd is aan te sluiten bij geldend recht en er alleen is beoogd een ondergrens in te stellen om werknemers een bestaansminimum te garanderen, volgen wij dus hetgeen in de eerdergenoemde MvT is vermeld. Derhalve kunnen huisvestingskosten worden ingehouden op het loon indien werkgever en verhuurder dezelfde entiteit zijn (mits aan de overige voorwaarden voor inhouding wordt voldaan).

 

De Inspectie SZW komt derhalve terug op haar eerdere standpunt, hetgeen naar mijn mening een (zeer) goede zaak is. Dat een hoop uitzendonderneming zich kapot zijn geschrokken naar aanleiding van het aanvankelijke standpunt zullen wij Asscher maar vergeven.

 

Conclusie

De Inspectie SZW gaat kennelijk toch akkoord met de uitzondering op het inhoudingsverbod terzake huisvesting indien de uitzendonderneming en de verhuurder dezelfde entiteit betreffen, mits uiteraard wordt voldaan aan artikel 7:631 BW en de uitzendonderneming/verhuurder SNF-gecertificeerd is. Van de Inspectie SZW hoeft men dus qua dit onderwerp (vooralsnog) niet te vrezen.

 

 

P.S. Toch blijf ik mij afvragen of het huidige standpunt van de Inspectie SZW arbeidsrechtelijk helemaal correct is. Zo geldt onder meer dat in artikel 7:632 BW (inzake de verrekening) verrekening tijdens dienstverband slechts in vijf gevallen is toegestaan, te weten schadevergoeding, boetes, voorschotten op loon, teveel betaald loon en de huurprijs van een woning. Het blijft natuurlijk vreemd dat de huurprijs van een woning ook in dit soort gevallen door de werkgever via een "inhouding" ex artikel 7:631 BW aan zichzelf kan worden betaald. En hoe ziet zo'n betaling aan jezelf er dan uit? Een girale overboeking naar het eigen rekeningnummer?

Verder geldt dat het op basis van 7:632 BW tijdens dienstverband niet mogelijk is om andere posten te verrekenen zoals bijvoorbeeld reiskosten of lunchbijdragen. Dit mag zelfs niet als de werknemer hiermee schriftelijk akkoord is gegaan. Een dergelijke afspraak is volgens artikel 7:632 BW lid 4 immers vernietigbaar. Indien de lijn van Inspectie SZW wordt gevolgd en de werkgever via een "inhouding" aan zichzelf mag betalen, kunnen door middel van een (inhoudings)volmacht zeer eenvoudig reiskosten, lunchbijdragen en eventuele andere kosten "verrekend" worden. De slimme arbeidsrecht jurist zal dan natuurlijk stellen dat een dergelijke volmacht ieder moment kan worden ingetrokken hetgeen het een en ander zou rechtvaardigen. Feit is echter wel dat op basis van artikel 7:631 lid 8 BW een rechtsvordering op grond van verjaring verjaart na 6 maanden. Bij een onterechte verrekening geldt de normale verjaringstermijn van 5 jaar. Het voelt simpelweg niet helemaal goed.

Los van het feit dat ik blij ben dat de Inspectie SZW niet zal handhaven, ben ik erg benieuwd naar eventuele (collectieve) vorderingen van vakbonden of werknemers met betrekking tot onderwerp. Of wordt het weer tijd voor een artikel 96 Rv procedure / "proefprocedure"?